Waar werk je wanneer je in het sociaal domein (SD) werkt? Dat is een goede vraag. Een vraag die ik mijzelf stelde toen ik solliciteerde voor een functie als Adviseur Sociaal Domein (A SD) bij JSO, maar ook een vraag die ik mij nog altijd stel sinds ik er werk. Is ook wel goed natuurlijk, om scherp te blijven op je functietitel wanneer je ergens werkt.

Het SD is een enorme drukke markt. Er staan gemeenten met kraampjes, maar ook inwoners, ondernemers, participanten (die soms weer werken bij de gemeente), adviseurs, particulieren, gemeenteraad, (beleids)ambtenaren (die zoals je weet ook werken bij gemeentes), unieke inwoners zoals Henk & Ingrid met een binnenbank in de voortuin, jeugdhulpverleners, voorlichters op middelbare scholen, zorgprofessionals, mantelzorgers, zorgvrijwilligers, docenten en nog een hoop andere groepen. Op deze markt wordt, door sommige uitbaters, in een sterk vakjargon gesproken. Veel klanten begrijpen eigenlijk niet wat sommige marktkraameigenaren roepen. “Vijf rozen voor drie euro” is goed te begrijpen. Maar “25 omgevingswaarden die vroegsignalering ondersteunen om de beleidsnota te vullen die nog door de raad moet worden besproken, zodat jij fijner kunt wonen in je eigen wijk”, minder.

Als cultureel antropoloog ben ik opgeleid om observerend te participeren. Dat heb ik in mijn beginfase op het nieuwe werk dan ook gedaan. Zo heb ik mij allereerst verdiept in het jargon binnen het sociaal domein. Wat blijkt? In het SD houdt men enorm van afkortingen! Zo heb ik geleerd dat een gemeentelijk MT zich bezighoudt met het MO, soms met behulp van het maken van een MKBA. Dat laatste is niet MT exclusief, want dat kan net zo goed bij het RO gebeuren. Het is goed als er verbinding is tussen het RO en MO, maar dat gebeurt niet in alle gemeentes. Zou wel goed zijn voor de burgers, maar dat is dan weer niet kwantificeerbaar, dus moeilijk.

Het is niet gemakkelijk om in het SD te werken. Als je denkt dat je er binnen het SD komt door in spreektaal te praten en je afspraken af te vinken, heb je het mis. Waarom? Probeer jij maar eens een WMO, WWZ, Omgevingswet en Participatiewet op gemeentelijk niveau te duiden. Zoals de VNG dat structureel doet en daar dan congressen voor organiseert. Dit soort zaken in Jip en Janneke taal uitleggen kan niet, want: “Als ik dat pak aantrek in de ochtend wil ik verdorie ook een beetje moeilijk kunnen praten.”

Iemand die Fries spreekt is soms nog beter te begrijpen dan een beleidsadviseur in het sociaal domein. Dat is gek, want Fries is een vreemde taal. Het is gevaarlijk om binnen het sociaal domein een jargon te hanteren dat door een outsider moeilijk of niet te begrijpen is. Waarom? Omdat het sociaal domein dé plek is waar alle lagen van de samenleving samenkomen. Naar spreektaal wordt van oudsher in hogere kringen denigrerend gekeken, maar zoals Albert Einstein al zei: “Als je iets niet simpel kan uitleggen, begrijp je het niet goed”. Dus aan alle mensen die in vakjargon spreken de oproep: doe effe iets minder, want anders spreekt iedere afdeling in de toekomst een andere taal.

Wil je ondersteuning bij het verbinden van behoefte en beleid in een taal die iedereen begrijpt? Neem dan gerust contact op met mij, Florian Helinski, 06-5169585, f.helinski@jso.nl.

Deel dit artikel